Sla over naar inhoud
Thuis & Wonen

Fietsen en dozen in het trappenhuis: wat mag er wel staan

5 september 2026 · 7 min · Fonne Bakker
Fietsen en dozen in het trappenhuis: wat mag er wel staan

In het portiek waar ik jarenlang woonde stond op de eerste verdieping een kinderwagen, op de tweede twee fietsen tegen de leuning, en bij ons voor de deur een schoenenrek dat er ooit “even” was neergezet. Niemand vond dat gek. Het gebouw was krap, de bergingen in de kelder waren vochtig, en iedereen deed het. Pas toen er beneden een keer een verhuizing plaatsvond en een matras klem kwam te zitten op de overloop, drong door hoe smal die trap eigenlijk was geworden.

Het gekke aan een gedeeld trappenhuis is dat het van iedereen is en daarom van niemand. Je eigen hal ruim je op, want daar kijk je op als je thuiskomt. De overloop is niemands verantwoordelijkheid, en dus groeit hij langzaam dicht met spullen die eigenlijk nergens anders passen. Ik snap dat volledig, ik heb er zelf aan meegedaan, en toch is dit een van de weinige onderwerpen in en om huis waar ik niet zo soepel over denk. Een trappenhuis is namelijk geen restruimte. Het is de weg naar buiten.

Waarom die ruimte anders is dan de rest van je huis

Bij brand in een woongebouw is rook het probleem, niet het vuur. Rook trekt omhoog door het trappenhuis, en dat gaat sneller dan de meeste mensen zich voorstellen. Wat er in die ruimte staat, doet er dan op twee manieren toe. Ten eerste is het brandbaar of het smeult: kartonnen dozen, een kinderwagen met schuim en kunststof, een fiets met rubberen banden, een oude bank die op de gang staat te wachten op de kringloop. Kunststof geeft bij verhitting dichte, giftige rook. Ten tweede staat het in de weg, in het donker, terwijl er mensen naar beneden moeten en er tegelijk mensen met apparatuur naar boven komen.

Dat tweede punt is degene die ik het langst niet goed op waarde schatte. In het donker en in de rook zie je niets. Je gaat op de tast langs de muur naar beneden, en dan is een fiets waarvan je heus wel wist dat hij er stond opeens een obstakel waar iemand overheen valt. De brandweer moet met slangen en persluchtflessen dezelfde trap op, en die flessen maken je aanzienlijk breder dan je gewend bent. Over de manier waarop rook zich in een woning verspreidt en waarom je bij brand naar buiten moet en niet terug naar boven, staat bij de brandweer een heldere uitleg die ik iedereen in een appartement aanraad.

Wat er in de praktijk wel mag

De regel achter alle regels is simpel: de vluchtroute moet vrij zijn en vrij blijven. In een gemeenschappelijk trappenhuis betekent dat in de praktijk het volgende, en de meeste verenigingen van eigenaars en verhuurders hanteren precies deze lijn.

  • De trap zelf, de bordessen en de doorgang naar de buitendeur blijven helemaal leeg. Daar staat niets, ook niet tijdelijk.
  • Een deurmat voor je eigen voordeur mag vrijwel overal, mits hij plat ligt en niet uitsteekt.
  • Een plant in een pot tegen de muur wordt in veel gebouwen gedoogd, zolang de doorloopbreedte ruim blijft en de pot niet van brandbaar materiaal is.
  • Fietsen, scooters, kinderwagens, rollators buiten gebruik, kasten, dozen en meubels horen er niet. Ook niet aan de kant, ook niet met een slot om de leuning.
  • Losse accu’s, powerbanks en fatbike-accu’s zijn de categorie waar ik het strengst in ben. Die laad je niet in een gemeenschappelijke ruimte, en je zet ze er ook niet neer.
  • Vuilniszakken die “morgen mee naar beneden gaan” zijn een klassieker, en ze zijn precies wat er ’s nachts smeult.

Hoe hard dat allemaal is, hangt af van waar je woont. In een huurwoning staat het meestal in je huurovereenkomst of in de huisregels van de verhuurder. In een appartement met een vereniging van eigenaars staat het in het huishoudelijk reglement, en dat reglement kun je opvragen bij het bestuur of de beheerder. Daarnaast gelden er landelijke eisen aan vluchtroutes in gebouwen, waar de gemeente op kan handhaven; wie wil weten hoe die regelgeving in elkaar zit, vindt bij de Rijksoverheid een ingang op bouwregelgeving. In de praktijk begint het bijna nooit bij de gemeente. Het begint bij een buurman die er iets van zegt, of bij een brief van de beheerder na een controle.

Waar de spullen dan wel heen moeten

Hier wordt het eerlijk gezegd lastig, want de spullen zijn er nog steeds. Wie in een klein appartement woont zonder droge berging heeft een reëel probleem, en “zet het maar ergens anders” is geen antwoord. Toch valt er meer op te lossen dan het lijkt.

Fietsen zijn de grootste. Kijk of er in je buurt een buurtstalling of een fietstrommel op straat is; veel gemeenten hebben die inmiddels, met een wachtlijst maar ook met een redelijk tarief. Een tweede optie is een muurbeugel in je eigen hal of berging waarmee de fiets verticaal komt te hangen, wat ongeveer een halve vierkante meter scheelt. Die beugels kosten tussen de vijftien en veertig euro bij Gamma, Praxis, Karwei of een fietsenzaak, en je hebt er een klein stuk multiplex bij nodig als je muur van gipsplaat is.

Kinderwagens zijn moeilijker, omdat je ze dagelijks nodig hebt. Een opvouwbaar model dat achter de deur past is voor veel gezinnen de enige werkbare oplossing in een portiekwoning, ook al is dat een aankoop waar je niet op zat te wachten. Dozen en spullen die “nog een keer weg moeten” zijn daarentegen bijna altijd op te lossen door ze gewoon deze week weg te doen. Ik heb geleerd dat wat drie maanden in het trappenhuis staat, nooit meer terugkomt in huis.

En verder is dit vooral een kwestie van minder spullen die geen plek hebben. Dat klinkt makkelijk gezegd, maar het is precies de kern van hoe klein wonen werkt: elke vierkante meter heeft een functie, en wat geen functie heeft duwt zichzelf de gang op. Daar schreef ik eerder over in klein wonen en de keuzes die verschil maken, en de methode om het ook zo te houden staat in opruimen dat blijft werken.

Hoe je het aankaart zonder ruzie

Het ongemakkelijkste deel van dit onderwerp is niet de regel, het is je buurman. Niemand wil de bewoner zijn die klaagt over een kinderwagen. Wat bij ons uiteindelijk werkte, was het niet als klacht brengen maar als voorstel: één keer per jaar een gezamenlijke opruimdag, met een aanhanger of een afspraak met de gemeente voor grofvuil, en daarna een simpele afspraak over wat er blijft staan. Iedereen ruimt dan zijn eigen spullen op, in plaats van dat er iemand wordt aangesproken.

Wil je het formeel maken, dan kun je het op de agenda van de ledenvergadering van de vereniging van eigenaars laten zetten, of bij een huurwoning de verhuurder vragen om een brief aan alle bewoners. Zo’n brief is meestal effectiever dan een gesprek, en niemand hoeft er iets persoonlijks van te maken. Verzekeringstechnisch is het trouwens ook geen onbelangrijk detail: als een schade ontstaat door spullen die daar niet hoorden te staan, kan de eigenaar van die spullen daarop worden aangesproken.

Wat mij betreft ligt de winst uiteindelijk niet in de regels, maar in hoe zo’n gang aanvoelt. Een leeg trappenhuis met een lamp die het doet en een schone vloer verandert het moment van thuiskomen meer dan welke deurmat ook. Dat het ook nog de plek is waar je in het donker langs moet als er iets misgaat, is dan meegenomen. Bij ons in de hal is die twee kanten van hetzelfde: zie thuiskomen in een hal die rust geeft.

Lees verder

Thuis & Wonen

Laat een reactie achter